Kunnen we nog vertrouwen op de Wet geurhinder?

Door: Rob van Woerden 12 april 2019

De Wet geurhinder en veehouderij biedt sinds 2007 zekerheid aan veehouders en omwonenden. Bij vergunningverlening aan veehouderijen vormt de Wet geurhinder het exclusieve toetsingskader. In het Activiteitenbesluit zijn vergelijkbare regels opgenomen voor veehouderijen die geen vergunning nodig hebben. Gemeenten en provincies moeten de landelijk vastgestelde regels toepassen. Gemeenten kunnen via een geurverordening voor delen van hun grondgebied wel een afwijkende geur- of afstandsnorm vaststellen, maar dat is niet verplicht.

De Wet geurhinder en veehouderij en een onherroepelijk verleende vergunning bieden de veehouder rechtszekerheid, vooral in geuroverbelaste situaties.  Maar kan een veehouder op die zekerheid (blijven) vertrouwen? Er zijn de laatste tijd uitspraken van rechters die hier afbreuk aan doen. Zo oordeelde de Rechtbank Gelderland in december 2017 (ECLI:NL:RBGEL:6442) dat een varkenshouder de geurbelasting moest terugbrengen naar maximaal 14 ou/m3, terwijl het bedrijf beschikt over een onherroepelijke omgevingsvergunning voor de bestaande bedrijfsvoering. Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld. Zeer recent oordeelden de Rechtbank Oost-Brabant (ECLI:NL:RBOBR:2019:1343) en de Rechtbank Gelderland (ECLI:NL:RBGEL:2019:639) dat bij vergunningverlening rekening moest worden gehouden met onderzoek waaruit een minder goede geurreductie van gecombineerde luchtwassers blijkt. Op grond van de Regeling geurhinder en veehouderij moest ten tijde dat de vergunning werd verleend een reductiepercentage van 85% worden toegepast. De Regeling geurhinder  en veehouderij werd pas nadien aangepast. De Rechtbank Oost-Brabant overweegt in haar uitspraak dat de gemeente Landerd in dit geval mocht aannemen dat het exclusieve wettelijk toetsingskader van de Wet geurhinder en veehouderij niet toereikend is om onaanvaardbare risico’s voor de volksgezondheid te voorkomen.

Deze (bijzondere) uitspraken van rechters ondermijnen de rechtszekerheid die wordt ontleend aan de nu geldende Wet geurhinder en veehouderij en een daarop gebaseerde vergunningen. De vraag is of een hoger rechter deze uitspraken in stand laat als er hoger beroep wordt ingesteld.

Naast discussie over de toepassing van het nu geldende exclusieve beoordelingskader zijn er ook plannen om de geurregels voor veehouderijen ingrijpend te herzien.

Sinds 2016 ligt er een advies van de ‘bestuurlijke werkgroep evaluatie geurregelgeving veehouderij’. Daarin wordt aangedrongen op meer bestuurlijke afwegingsruimte bij vergunningverlening. Door verschillende partijen, waaronder de GGD, worden de normen voor acceptabele geurhinder ter  discussie gesteld. Ook wordt geadviseerd om in overbelaste situaties maatregelen te treffen om de geurbelasting binnen een ambitieuze termijn terug te dringen.

Naar aanleiding van de tegenvallende geurreductie van gecombineerde luchtwassers is de Commissie Biesheuvel ingesteld. Die Commissie moet adviseren over aanpassing van de regelgeving en de maatregelen die kunnen worden getroffen bij veehouderijen die beschikken over een geldige vergunning, maar die – naar nu blijkt - meer geurhinder veroorzaken dan op basis van de vergunningverlening verwacht mag worden. Dit advies zou in het voorjaar van 2019 gereed zijn, maar is nog niet bekendgemaakt.

Per 1 januari 2021 verdwijnt de Wet geurhinder en veehouderij. Gemeenten moeten geurregels opnemen in het omgevingsplan. Het Rijk heeft via instructieregels en een zogenaamde ‘bruidsschat’ geregeld dat de door het rijk vastgestelde geurregels grotendeels overgenomen moeten worden in de omgevingsplannen. De gemeenteraad krijgt wel meer mogelijkheden voor maatwerk. Ook zal elke gemeenteraad bij vaststelling van het omgevingsplan na moeten denken over de gewenste bescherming tegen geurhinder. Geurhinder door veehouderij komt dan in ieder geval op de politieke agenda.

"De laatste jaren ligt de nadruk op MER en Natura 2000" Rob van Woerden

Blijf op de hoogte